Een wachtkamer in de Afrikaanse woestijn?

De opa van mijn echtgenote is in 1900 geboren. Hij verdiende zijn brood met de handel in olie. Niet wat we daar tegenwoordig onder verstaan – termijnmarkten, bunkervoorraden – maar langs de deuren gaan met huisbrandolie, op een kar. Een hondenkar. Ik heb het even nagekeken: de inzet van honden als trekdieren werd in Nederland in 1963 verboden. Dat was een jaar voordat de ‘geleide loonpolitiek’ ten einde kwam en werkgevers en werknemers zelf weer mochten onderhandelen over de lonen. In 1964 volgde de loonexplosie: 20% erbij. In 1965 nog eens. Binnen een paar jaar veranderde Nederland van een sobere wederopbouweconomie waar ook de honden moesten werken, in een welvaartsstaat. 
De opa van 1900 hield er een groot huis op na waar hij negen kinderen groot bracht. Toen hij met pensioen ging, deed hij iets wat we ons nu niet meer kunnen voorstellen: hij verkocht dat huis en ging van de ene op de andere dag in een krappe aanleunwoning zitten, tegen een bejaardenoord aan. Open keukentje, geen balkon. Als die negen kinderen allemaal tegelijk langs kwamen, moesten ze uitwijken naar de recreatiezaal. Daar heeft hij nog een kwart eeuw geleefd.

De oude dag als wachtkamer, in een aangepaste omgeving waar geen plaats is voor ambities. Ik moest aan dat verdwenen patroon denken bij onze laatste reis naar Zuid-Afrika. Ik kom graag in dat land. Alle clichés over de pracht en de ruimte zijn waar. Het is natuurlijk een kostbare operatie. Je moet er voor sparen, maar dan is het fantastisch om de grijze Hollandse winter te onderbreken voor de zuidelijke zomer. En er is daar een permanente sociale revolutie gaande. Mateloos boeiend om waar te nemen en over te praten.
Deze keer was de westkust het einddoel. De Benguela-stroom laat het koude water van Antarctica daar op de hete kust botsen. Het water is te koud om te condenseren en uit te regenen. Het gevolg is een oceaan die niet boven de 13 graden komt, een ruige woestijnkust en het bijna verblindende, witste licht van de planeet.

Op steeds meer plaatsen langs die lege kust bouwen de Zuid-Afrikanen bungalowdorpen. Soms als tweede huis voor stedelingen, vaak als permanent huis voor senioren. ‘Elke golf is anders, elke zonsondergang is anders’, zeggen ze enthousiast. Ze verstaan de kunst om het leuk te hebben met helemaal niets. Het zijn luxe wachtkamers. Helemaal in het noorden, vlakbij de grens met Namibië, ligt het Richtersveld. Een droog, leeg en oeroud berggebied. Aan de kust – op tien uur stevig doorrijden vanaf Kaapstad of Johannesburg – ligt het nietige Port Nolloth aan de koude oceaan.

Zelfs in dat onbarmhartige landschap onder dat witte licht gebeurt het: een bungalowdorp in aanbouw. Althans: de wegen liggen er, er zijn sporen van een kavelverdeling, er is een toegangspoort. Maar het is vooral warm en leeg. KaiKai heet het complex, een woord uit de taal van de Nama, een van de weinige groepen van de oorspronkelijke bewoners van dit oude land die de komst van de Europeanen heeft overleefd.
Ik zie iets heel geks. Landinwaarts van KaiKai ligt een ‘locatie’, een ‘township’ met bescheiden huisjes voor de ‘kleurlingen’ die de grote meerderheid van de bevolking van Port Nolloth uitmaken. En tussen de locatie en KaiKai slingert zich over anderhalve kilometer een hoge betonnen muur door het duinlandschap. Het zijn panelen en er zitten openingen in, maar toch: een hoge betonnen muur. Voor een Europeaan roept dit onmiddellijk de associatie met de Berlijnse muur op: een hardhandige afgrenzing. Met ergernis denk ik terug te zijn in de apartheid: een strikte scheiding tussen de geplande bungalows en de eenheidshuisjes van de locatie.

Later die dag zijn we in het centrum van Port Nolloth. Een behoorlijke winkel, een paar kleinere, een bescheiden hotel en wat overheidsgebouwen. En een bibliotheek, waar ik een praatje aanknoop met de chef. Maurice, heet hij, en hij weet dat zijn taal – het Afrikaans van de kleurlingen – en mijn taal – het Nederlands – iets met elkaar te maken hebben. Hij zegt dat hij het liefst de bibliotheek uit het centrum naar de locatie zou verplaatsen. De mensen daar hebben hem het hardste nodig. En nu is het twee kilometer lopen. Ik spreek terloops mijn verbazing uit over die muur tussen de locatie en KaiKai. Maar hij corrigeert mij. De muur staat lokaal bekend als de ’wall of expression’. De panelen zijn beschikbaar voor kunstenaars uit de locatie, om te beleggen met mozaïeken. Het werk ligt nu stil, maar ooit wordt die muur misschien het grootste ‘land art’ project van Afrika.
Met die kennis gewapend, ga ik terug en begin met stomheid geslagen aan een dwaaltocht: een hete zon, een koude zee, een doodstille leegte aan het einde van de wereld, een kronkelende betonnen muur met panelen, gevuld met in steentjes gelegde namen van inwoners van Port Nolloth. En met bloedmooie symbolische mozaïeken. Achteraf blijkt er best iets op internet te vinden te zijn over de muur. Maar het verhaal is te onwaarschijnlijk. Eenmaal voltooid, zou het een einde maken aan de stilte van de woestijn. Het zou een reisdoel worden van de toeristenindustrie, een attractie pur sang.

Bij de uitgang van het project wordt ik staande gehouden door een jonge vent. Hij heet Jacques en vertelt dat KaiKai geen ‘snel geld’ van een vastgoedpartij is. Het is een project van een echtpaar uit Johannesburg, dat ooit verliefd werd op deze afgelegen plek en met eigen geld een titanenklus begonnen is. Het duurt al tientallen jaren en gaat misschien wel generaties duren: de wijk en de muur. De vergelijking met de Sagrada Familia van Gaudi dringt zich op, de basiliek waarvan de bouw in 1882 begon, die al een miljoenenpubliek trekt maar nog steeds niet klaar is. Nu staat de Sagrada Familia middenin een populaire stad, Barcelona. En de ‘wall of expression’ staat in de wildernis. Hoe krijg je zo’n project in vredesnaam weer aan de praat?

Jacques is de zoon van de oprichters. Hij bouwt langzaam zijn eigen huis en heeft zijn Zimbabwaanse verloofde ervan overtuigd dat zij met hem meekomt naar deze uithoek. Hij wil proberen om het project weer aan de praat te krijgen. Beide projecten: de ‘residential development’ en de ‘wall of expression’. Maar hij is alleen. Zo’n groot project verwacht je in een stedelijke omgeving, met studenten, creatievelingen, verkopers, druktemakers. Hij moet het allemaal uit zijn tenen halen. Als ik hem vertel wat ik zie, kijkt hij alsof het allemaal nieuw voor hem is. Ik zie een groots voorbeeld van hoe je met cultuur de wereld kunt veranderen. Stel dat het gaat lopen; dat de bewoners van de ‘location’ zich weer organiseren en het mozaïek-ambacht weer oppakken; dat ze de muur beschermen en onderhouden; dat er sponsors en adoptie-eigenaren voor de panelen worden gevonden; dat de bewoners van de zeevilla’s nu eens niet alleen naar de zonsondergang gaan kijken maar ook trots ontlenen aan hun muur; dat er intensief contact op gang komt tussen villa’s en locatie; dat de eerste cultuurtoeristen de weg naar dit barre gebied weten te vinden. Dan heeft het nietige Port Nolloth een staaltje ‘placemaking’ van historische proporties geleverd.

De sleutel ligt – denk ik – bij die villabewoners. Die moeten doorkrijgen dat ze ofwel in een veredelde aanleunwoning kunnen gaan wachten, ofwel deel uit kunnen maken van een bijzonder experiment. En bij Blaauwberg gaan we nadenken of we ook een paneel kunnen adopteren. Hoe zouden we ons willen uitdrukken? Hoe willen we communiceren met de mozaïekers uit de locatie?

Gerelateerde artikelen

De stijfselbaan en Jane & Jane

De stijfselbaan en Jane & Jane Door Aart van Bochove Ik verzorg een inhoudelijk onderdeel in het introductieprogramma van een aantal nieuwe gemeente-ambtenaren. Ik laat twee foto’s zien van de Leidse Stationsweg [...]

Een wachtkamer in de woestijn?

Een wachtkamer in de Afrikaanse woestijn? De opa van mijn echtgenote is in 1900 geboren. Hij verdiende zijn brood met de handel in olie. Niet wat we daar tegenwoordig onder verstaan – [...]

Drukwerk slaat terug!

Drukwerk slaat terug! Ik ben nogal een boekenmens. Huis en kantoor staan er vol mee. Voor een deel is dat zoals ik ben. Ergens moeten wachten zonder iets fatsoenlijks te lezen te [...]

Middenklasse, bubbel of basis?

Middenklasse, bubbel of basis? Ik zit in de kappersstoel. De kapper introduceert een jonge knul, die stage bij hem loopt. De knul wil iets met bitcoins doen en wil mij een cijferopstelling [...]

Meer artikelen

Uitnodiging boekpresentatie

Uitnodiging boekpresentatie 'Green Glasses' We nodigen u graag uit voor de presentatie van ‘Green Glasses’, een boek over ‘internationals’ in de oude stad Leiden. Het boek is geschreven door Magdalena Palma, een Chileense journalist, [...]

Reflectie terugkomdag Leidenkunde

Reflectie terugkomdag Leidenkunde Door Ute Jansen Voor de deelnemers van onze Leergangen Leidenkunde van de afgelopen jaren organiseren we geregeld een terugkomdag. Een gelegenheid voor een fresh-up, nieuwe inzichten en ontmoetingen met [...]

Goodbye party Magdalena

Recap of Magdalena's goodbye party On March 13th we held a small goodbye party for our colleague Magdalena Palma, who returned to Chile - her home country - after spending four years in [...]

De stijfselbaan en Jane & Jane

De stijfselbaan en Jane & Jane Door Aart van Bochove Ik verzorg een inhoudelijk onderdeel in het introductieprogramma van een aantal nieuwe gemeente-ambtenaren. Ik laat twee foto’s zien van de Leidse Stationsweg [...]

Neem contact op

Neem contact met ons op via bijgaande contactgegevens. Wij komen spoedig met een reactie.

Inschrijven voor onze nieuwsbrief: