Analyse: hoe veerkrachtig is uw regio?

We hebben in eerdere nieuwsberichten stil gestaan bij de crisisimpact per regio. Dat deden we mede aan de hand van analyses die we hebben opgebouwd voor de Economic Board Duin- en Bollenstreek (EBDB) en Economie071 (Leidse regio).

Ditmaal kijken we naar de toekomst. In hoeverre zijn regio’s in staat om na tegenspoed zich te herpakken? Hoe groot is het regionale herstelvermogen? In dit artikel een ‘teaser’ van een deel van de inhoud van beide rapporten. We presenteren een veerkrachtindex, een inschatting van de economische veerkracht van 41 regio’s aan de hand van een compacte set van zes parameters. De veerkrachtindex zal in bewerkte vorm onderdeel worden van een afzonderlijke EBDB rapportage en de Index071, de economische monitor van de Leidse regio.

De coronacrisis heeft nieuw licht geworpen op een al langer bestaand begrip in de gebiedsstudies: veerkracht. In goed Engels: resilience. Het begrip was met name bij grote internationale organisaties als de OECD en de Wereldbank al geruime tijd in beeld. De redenering is dat je de staat van samenleving en economie niet zomaar kunt vatten in één statisch getal over het regionaal inkomen. Het gaat er meer om of een  regio klaar is om tegenslag op te vangen en om kansen te benutten. We leven immers in een beweeglijke wereld met voortdurend nieuwe wendingen.

Iconische foto van historisch mogelijk meest bekende voorbeeld van veerkracht, het West-Duitse ‘Wirtschaftswunder’ in de naoorlogse jaren. Op de foto de miljoenste Volkswagen die van de band rolt in Wolfsburg in augustus 1955. De economische veerkracht in Duitsland had een sterke connotatie met de opkomende autoindustrie.

Over het belang van veerkracht

Bijna niemand zag in 2009 de kredietcrisis aankomen. Met een pandemie was in 2019 alleen de Wereldgezondheidsorganisatie bezig. De huidige huizenmarkt is ook voor makelaars een raadsel. Enzovoort. Het ontwerpen van eindbeelden is niet zo zinvol meer. Je moet vooral goed voorbereid zijn, tegen een stootje kunnen.

Veerkracht is ook klaar staan om kansen te benutten. Een zeer praktisch voorbeeld is het nationaal groeifonds, het publieke kapitaal dat beschikbaar komt voor post-corona investeringen. Je moet voorbereid zijn op dat soort kansen, de regionale agenda op orde hebben, een uitvoeringsorganisatie klaar hebben staan, initiatieven op de plank hebben. Iets abstracter is de technologische innovatie, een van de belangrijkste motoren achter de economische groei. Innovaties zijn amper te voorspellen, maar je kunt je voorbereiden. Bijvoorbeeld met een technisch geschoolde beroepsbevolking. Dat is de kaart die Brainport Eindhoven na Operatie Centurion kon trekken.

Veerkracht is weer iets anders dan onkwetsbaarheid. Amsterdam is het sterkste voorbeeld daarvan. Naast een bloeiende kenniseconomie heeft de stad een grote bezoekerseconomie. Nu was er al eerder kritiek op de status als toeristenmagneet. En juist dat segment is ook kwetsbaar gebleken in de coronacrisis. Amsterdam lijkt het momentum van de crisis zelfs te gaan gebruiken om voorgoed een einde te maken aan het laag-renderende massatoerisme. Dat zal nog niet zomaar gedaan zijn. Maar er is geen mens die eraan twijfelt of de stad het wegvallen van die economische tak kan opvangen. Amsterdam is veerkrachtig – ‘resillient’ –genoeg om dat afscheid te begeleiden en nieuwe wegen in te slaan.

Een modern voorbeeld van veerkracht: de High Tech Campus in Eindhoven, foto Microtoerisme via Wikimedia

Veerkracht in de praktijk: van marketeer naar broodbakker

Het mooie van ‘veerkracht’ is dat zowel op macro- als op microniveau kunt hanteren. Zowel een enkel individu als een hele regio kunnen veerkrachtig zijn. Als die bij elkaar komen, kan er dynamiek ontstaan. Zoals in onderstaande voorbeeld, afkomstig uit de Amsterdamse stadskrant Het Parool van zaterdag 9 januari 2021.

Lard Breebaart, een freelance ‘merkstrateeg’ woonachtig in Amsterdam-Noord, raakte in het voorjaar van 2020 tijdens de eerste lockdown veel werk kwijt. Hij besloot wat meer tijd te steken in zijn oude kookhobby en brood te gaan bakken. Met de eerste proeven bediende hij zijn buren en familie. Lang verhaal kort maken: inmiddels bakt hij 150 luxe broden per dag, die hij verkoopt van uit de gang van zijn woonhuis. De klanten staan in de rij en ze komen uit heel Amsterdam en Zaandam. Hij heeft besloten fulltime bakker te worden.

De veerkracht in deze anekdote komt van twee kanten. Het is natuurlijk de flexibele omschakeling van een zelfstandige professional, van merkstrateeg naar bakker. Uiteindelijk is een innovatieve economie ook gewoon een optelsom van duizenden individuele beslissingen. Maar het is daarnaast ook de nieuwsgierige, ‘experimenthappy’ en tolerante omgeving van de stad. De individuele ondernemer en het ecosysteem versterken elkaar: in een conservatieve omgeving had deze ondernemer geen kans gehad. Als je dat voor elkaar krijgt – een gemeenschap die ondernemende mensen niet alleen huisvest, maar ook aanmoedigt – dan kun je tegen een stootje.

Hoe meet je veerkracht?

We gaan in het vervolg van dit artikel dat begrip ‘veerkracht’ meetbaar maken, en geschikt voor interregionale vergelijking. We gaan een regionale index van veerkracht samenstellen. Die index is nieuw. We hechten aan transparantie van definities en methodiek. De redenering moet navolgbaar zijn. Er verschijnen teveel lijstjes als resultaat van onnavolgbaar rekenwerk, een zwarte doos.

Om te beginnen: veerkracht is geen erkend statistisch begrip waar systematische metingen aan ten grondslag liggen. Je zou veerkracht historisch kunnen reconstrueren, door na te gaan hoe een gebied zich in de afgelopen decennia gehouden heeft onder recessies en conjuncturele tegenslagen. We hebben daar niet voor gekozen. Je zou er immers vooral stabiliteit mee meten, terwijl veerkracht juist alles te maken heeft met dynamiek.

In plaats daarvan hebben we een ‘mand’ van parameters samengesteld die met veerkracht te maken hebben. We hebben gekozen voor zes parameters. Vier daarvan – aantal hoogopgeleiden, aantal mensen zonder startkwalificatie, ondernemerschap en verhuismobiliteit – zijn eigenschappen van inwoners. De vijfde – vergrijzing – is een demografisch gegeven. En de zesde – arbeidsplaatsenquote – is een historische verworvenheid. De vraag kan gesteld worden wat je met deze set parameters meet: de inwoners of de regio? Het antwoord is simpel: in een kenniseconomie zijn de inwoners doorslaggevend voor je veerkracht. Het gaat niet meer om materiele grondstoffen, niet om havens, niet om ruimte. Het economisch en sociale kapitaal zit in de mensen. En de concurrentie tussen regio’s gaat om schaars talent en schaarse kennis. Een actueel voorbeeld is de hernieuwde lobby van Noord-Nederland om de Zuiderzeelaan aangelegd te krijgen, de hoge snelheidsverbinding van Amsterdam en Schiphol met Groningen. Die is niet nodig voor grote aantallen of volumes, maar om het kenniscomplex van Groningen dichterbij Schiphol en de Randstad te brengen.

De parameters

We lichten hieronder de parameters kort toe.

Parameter Relatie tot veerkracht
Het aantal hoogopgeleiden in een regio (in % beroepsbevolking), personen met een diploma van hbo of wo op zak. Uit allerhande macro-onderzoek blijkt dat zij het meest weerbaar zijn in – en buiten – crisisperiodes. In een veelheid van internationaal onderzoek komt een hoogopgeleide beroepsbevolking keer op keer te voorschijn als een doorslaggevende factor in de waardeschepping. Met één beperking: er moet cultuur zijn waarin je diploma’s of educatieve diensten bepalen waar je komt te werken (een ‘meritocratie’). In samenlevingen waar cliëntelisme en de verhouding tot ‘de macht’ bepalen wie welk werk doet, zijn investeringen in onderwijs een veel minder effectief instrument van waardeschepping.
Het aantal laagopgeleiden. Het CBS hanteert voor ‘laagopgeleid’ het criterium van maximaal een diploma op niveau 1 van de kwalificatiestructuur. Omdat de nationale consensus is dat je minimaal een diploma nodig hebt op niveau 2 van de kwalificatiestructuur – de zogenaamde startkwalificatie, globaal samenvallend met tenminste twee jaar mbo – staat ‘laagopgeleid’ eigenlijk gelijk aan ‘te laag opgeleid’. Met minder dan de startkwalificatie (en zelfs met een diploma van niveau 2 of 3) is het zeer moeilijk om werk te vinden met een vaste aanstelling en voldoende honorering voor een zelfstandig bestaan. En statistisch gezien is er veel samenhang tussen het ontbreken van de startkwalificatie en de kans om afhankelijk te zijn van zorgarrangementen of uitkeringen. Hoe minder laagopgeleiden, hoe veerkrachtiger een regio.
De werkgelegenheid. We drukken de werkgelegenheid uit in de zogenaamde arbeidsplaatsenquote, het aantal banen – bron: Lisa arbeidsregister – per 100 leden van de beroepsbevolking. Waarbij een baan is gedefinieerd als minimaal 12 arbeidsuren per week. Meer banen betekent meer kansen voor werkzoekenden, meer stageplaatsen, meer mensen met een eigen inkomen, meer lokale koopkracht, meer lokale belastingafdracht, minder afhankelijkheid van overheidsarrangementen. Een quote boven de 100 betekent een economische centrumfunctie – meer banen dan werkenden en werkzoekenden. Een quote flink onder de 100 duidt op een dominante woonfunctie en een kleine, verzorgende economie. Kortom, hoe meer banen, hoe meer veerkracht
De vergrijzing. De concurrentie tussen steden en regio’s gaat om het schaarse jonge talent. De vergrijzing wordt in dit licht economisch tot op heden als een last gezien. Nog niet eens omdat senioren minder koopkracht uitoefenen of meer zorg nodig hebben, maar vooral omdat ze niet meer werken. Senioren verlaten de arbeidsmarkt: de ratio tussen het aantal werkenden en het aantal niet-werkenden bepaalt het verdienvermogen. Ergo: hoe meer vergrijzing, hoe minder veerkracht.
Ondernemerschap, cruciaal voor elke denkbare regionale strategie. Ondernemerschap begrepen als zelfredzaam, zelfstandig, draagkracht, aanpassingsvermogen, initiatiefrijk, verantwoordelijk. Je hoeft niet per se voor eigen risico en rekening te werken om ondernemend te kunnen zijn. Maar toch, om enige cijfermatige uitdrukking te geven aan dit begrip hanteren we het aantal zelfstandigen, uitgedrukt in percentage van de beroepsbevolking. Veel zelfstandigen betekent veel ondernemerschap en daarmee meer veerkracht. We kennen de ongemakkelijke politieke discussies over de zelfstandige arbeid. Maar los van misbruik van zelfstandige arbeid in bijvoorbeeld de bezorgeconomie, is de keuze voor het zzp-schap doorgaans ingegeven door de ambitie vorm te geven aan autonomie en professionaliteit en niet afhankelijk te zijn van systeemdruk en managementcultuur.
De verhuismobiliteit. Fysiek verhuizen hangt nauw samen met sociale mobiliteit, mensen verhuizen vanuit de wens tot positieverbetering: een groter huis, een nieuw werkkring, meer te besteden, een optimistische verwachting. Er zijn uitzonderingen, maar dat is op het totaal een smaldeel. We tellen het aantal verhuizingen per 1.000 inwoner. We maken de optelsom van drie soorten verhuizingen: van buitenland naar 071, van binnenland maar buiten de regio naar 071, en verhuizingen binnen de regio. Verhuizingen binnen een gemeente tellen we niet mee, om ‘vervuiling’ van het cijfer door studentenverhuizingen te voorkomen.

De mand met parameters voor veerkracht is met deze zes natuurlijk niet compleet. Er zijn allerlei verfijningen en aanvullingen mogelijk. Die zouden de index wellicht interessanter maken, maar ze raken de hoofdlijn niet. We zijn daar zo zeker van omdat in elke opsomming van parameters veruit het grootste gewicht wordt meegegeven aan de factor opleiding. Het gaat om het menselijk kapitaal, vertegenwoordigd door het aantal mensen met tertiair onderwijs achter de rug. Een simpelere illustratie is de samenhang tussen opleiding en werkgelegenheid. Omdat ‘human resources’ het kapitaal van de bedrijven vormen, trekken hoogopgeleide mensen en werk voor hoogopgeleiden naar elkaar toe. En in toenemende mate scheppen hoogopgeleiden zelf hun werk. Je kunt 25 wo-geschoolde ict-ers, plus 40 hbo-geschoolde elektrotechnici en 35 technische ambachtslieden met en mbo-4 diploma ‘in the middle of nowhere’ bij elkaar zetten. Na vier jaar is Themiddleofnowhere een campus in wording.

Methodiek: weging en scores

Het onderlinge gewicht van de zes gekozen parameters is dus een overzichtelijke kwestie. We zouden de factor opleidingen een gewicht van 50 of zelfs 60% van de hele index kunnen meegeven. We kiezen hier voor 40% (30% van het gewicht bepaald door het aantal hoogopgeleiden, 10% door het aantal laagopgeleiden). Verder is de index een mix. De sleutelparameter wordt aangevuld met twee opgaven (laagopgeleiden en vergrijzing) en drie omstandigheden (arbeidsplaatsen, ondernemerschap, verhuismobiliteit). Die breedte is genoeg om te voorkomen dat je twee keer hetzelfde meet (namelijk zaken die onlosmakelijk met opleidingsniveau samenvallen).   

Er zijn in de gewichtverdeling dus twee dragers: dominante positie van opleiding en een goede mix van de andere factoren. De exacte verdeling is arbitrair. We stellen de verdeling als ‘educated guess’ als volgt vast.

De hoogste Coropscore krijgt de waarde 100 en wordt vermenigvuldigt met 3 (hoogopgeleiden), 1 (laagopgeleiden), arbeidsplaatsen (2), enzovoort.

De scores binnen de parameters worden als volgt vastgesteld:

  • De regio met de meeste hoogopgeleiden (56% van de beroepsbevolking) krijgt 100 punten mee (maal 3, dat is 300 indexpunten). Alle lagere scores worden teruggerekend naar een percentage uit 100. Een regio met 28% hoogopgeleiden krijgt dus 50 punten maal 3 is 150 indexpunten.
  • De regio met de minste laagopgeleiden van alle 41 (13.7% van de beroepsbevolking) krijgt 100 x1 indexpunten. De regio met twee maal zoveel laagopgeleiden krijgt 50 x 1 = 50 indexpunten mee, de regio met anderhalf keer zoveel laag opgeleiden krijgt 75 x 1 = 75 indexpunten mee.
  • De regio met de hoogste arbeidsplaatsenquote telt mee voor 200 indexpunten.
  • De regio met de minste vergrijzing krijgt 150 indexpunten.
  • De regio met de meeste zelfstandigen krijgt 150 indexpunten mee.
  • De regio met de hoogste verhuismobiliteit krijgt 100 indexpunten mee.

We vergelijken de regio scores van 40 economische regio’s die het CBS onderscheidt, de zogeheten corop regio’s. Het Corop-gebied ‘Agglomeratie Leiden en Bollenstreek’ splitsen we in twee – voor de regiorapportages – : de Leidse regio en de Duin- en Bollenstreek. De hoogst haalbare score in de veerkrachtindex is dus 1000. Hoe dichter bij 1000, hoe veerkrachtiger het Corop-gebied.

Het resultaat: de veerkrachtindex

Dat alles leidt tot het volgende overzicht.

Wat zien we?

De index bevat aan de ene kant een aantal verrassingen; een regio die in veel lijstjes niet goed scoort als Rijnmond, komt qua veerkracht juist goed uit de verf. Regio’s die hoog op lijstjes staan vanwege hun woonklimaat, zakken juist wat weg. Tegelijk zijn er ook veel ‘usual suspects’, zeker in de top-10: de regio’s rondom de kennissteden Amsterdam, Utrecht, Leiden, Groningen, Nijmegen, Eindhoven en Delft zitten er allemaal in. In elk van deze regio’s zitten wel subgebieden die het minder goed doen maar de kennissteden trekken de regio mee. 

De top-10 vertoont twee verrassingen:

  • Corop-regio Haarlem (de gemeenten Haarlem, Heemstede, Bloemendaal en Zandvoort). Het gunstige indexcijfer wordt voor een flink deel bepaald door het grote aantal hoogopgeleiden, in mindere mate door het aantal zelfstandigen. Haarlem heeft vestigingen van roc’s en hogescholen, maar is niet een typische kennisstad.
  • De Gooi- en Vechtstreek. Het zijn weer het aantal hoogopgeleide en het aantal zelfstandigen (hoogste van alle Corop-gebieden, hangt samen met de creatieve industrie rondom het mediacomplex) die de hoge positie bepalen.

Overigens maken deze beide ‘unusual suspects’ deel uit van de MRA, de Metropoolregio Amsterdam. Ze hebben zich als het gaat om bestuurlijke en economische samenwerking gepositioneerd als onderdeel van het Amsterdamse ecosysteem. Dat verklaart iets, maar het is geen garantie. De Zaanstreek ligt ook onder de rook van Amsterdam, maar staat er in deze index op zeer grote afstand van.

De index bevat verder posities die vragen oproepen:

  • Rijnmond is een regio die in veel lijstjes niet goed scoort. In de lijsten die de Atlas Gemeenten jaarlijks maakt over de 50 grootste gemeenten, bungelt de stad Rotterdam vaak onderaan. Maar als we vanuit het bredere fenomeen van de veerkracht kijken, kleurt dat beeld bij.
  • Noord-Drenthe is ook opvallend. Voor een deel is er sprake van de agglomeratiekracht van Groningen – de kop van Drenthe functioneert bijna als een buitenwijk van de stad – maar er kan ook een effect merkbaar zijn van de dubbelstadstrategie van Groningen en Assen, bijvoorbeeld bij de samenwerking in ‘Energy Valley’.
  • De positie van de Duin- en Bollenstreek is weer licht problematisch. Het ‘nabijheidsvoordeel’ dat Noord-Drenthe boekt, is hier afwezig. Leiden, Amsterdam, Schiphol en Den Haag liggen om de hoek, maar de Duin- en Bollenstreek onderscheidt zich maar nipt van erkende probleemgebieden als Oost-Groningen en Delfzijl.

Een positie in de staart van de lijst wil niet zeggen dat het nu slecht gaat in het gebied. De Duin- en Bollenstreek heeft een goed woonklimaat, heeft een beperkte sociale problematiek en kent een gemiddeld hoog huishoudinkomen. Ook Zeeland scoort hoog in allerlei woontevredenheidsonderzoek. Zeeland heeft de laagste werkloosheid van het land. Maar dit zijn wel gebieden waar de komende 15 jaar stagnatie dreigt.

Tenslotte bevat iedere statistiek wel weer een ongerijmdheid. In deze tabel is dat de topscore van de verhuismobiliteit in Oost-Groningen. Voor een deel is die score reëel: de ontspannen woningmarkt trekt Oost-Europeanen aan die in Nederland niet alleen willen werken, maar ook wonen. Maar voor een ander deel is de monsterscore het gevolg van een enkele vestiging: die van het aanmeldcentrum voor asielzoekers in Ter Apel. De ongerijmdheid is een onderstreping van de stelling dat je statistiek niet voor lief moet nemen. Het is een hulpstuk in plaatsbepaling en beleidsgesprek.

Hoe verder?

Deze veerkrachtindex is natuurlijk geen mathematisch eindbeeld. De economie laat zich niet voorspellen, en bovendien kan je niet elke relevante beweging in een getal vatten. Wat deze index wel doet is relevante informatie aandragen om te komen tot een goede zelfanalyse. Iedere regio kan er eigen sterktes en zwaktes uithalen, vrijwel ongeachte de relatieve positie op de index.

Een goed voorbeeld is de Leidse regio. Het hoge opleidingsniveau is een absolute bonus voor dit gebied. Daar staat tegenover dat de scores op werkgelegenheid en ondernemerschap maar middelmatig zijn voor zo’n vitaal gebied. De expliciete oproep die uit deze cijfers voor de Leidse regio opdoemt is duidelijk: investeer in meer bedrijvigheid, start-ups en werkgelegenheid.

Zoals de index ook weer een bemoedigende boodschap heeft voor streken onderaan de lijst. Neem Zeeuws-Vlaanderen: daar is weer relatief veel werk te vinden. Bovendien gaat het ook nog eens om technisch werk waar in het gehele land naarstig naar wordt omgekeken. Het is interessant om te bezien of de grensregio deze kwaliteit kan inzetten in een post-crisisstrategie. Je ziet de marketing boodschap al bijna voor je: ‘Hier is werk voor jong, ondernemend technisch talent.’

Kort en goed, in het vooruit kijken naar een post-crisis economie en kansen op regionaal niveau begint het bij een goed beargumenteerde zelfanalyse. Het begrip ‘veerkracht’ kan daarin een leidend thema zijn, naast reeds circulerende begrippen als brede welvaart. Goede zelfduiding als startpunt voor crisisherstel.

Vragen naar aanleiding van dit artikel? Behoefte aan een beter gespecificeerde duiding voor uw regio? Neem contact met ons via de contactgegevens onderaan deze pagina.

Meer artikelen

Analyse: hoe veerkrachtig is uw regio?

We hebben in eerdere nieuwsberichten stil gestaan bij de crisisimpact per regio. Ditmaal kijken we naar de toekomst. In hoeverre zijn regio's in staat om na tegenspoed zich te herpakken? Hoe groot is het regionale herstelvermogen? We presenteren een regionale veerkrachtindex om de verschillen tussen regio’s in kaart te brengen.

Gebruik NOW hoogste in Randstad en zuiden

Het gebruik van de belangrijke steunmaatregel NOW is het hoogste in de Randstad en het zuiden van het land. In het noorden van het land is het beroep op de NOW opvallend lager.  We komen tot deze conclusies aan de hand van een eigen cijferanalyse waarbij we UWV data koppelen aan de CBS statistiek.

Ondernemersfondsen in crisistijd

Ondernemersfondsen op woz-basis hebben zich bewezen als stabiele basis voor de gezamenlijke belangen van ondernemers. Maar daarmee is het in deze crisistijd geen ‘business as usual’. De fondsen moeten nu laten zien dat ze er zijn en dat ze kunnen bijdragen aan perspectief voor de lokale ondernemers.

Het mkb: twee jaar crisisdynamiek voor de boeg

De initiële reactie van de overheid op de crisis in de economie is sterk ingegeven door: stabiliseren met behulp van generiek beleid. Met de overgang van de hamerfase naar de dansfase gaat het beleid veranderen. Van stabiliseren naar selecteren, van generiek naar specifiek.

Neem contact op

Neem contact met ons op via bijgaande contactgegevens. Wij komen spoedig met een reactie.