Sociologische gedachten bij Kaag, Rutte en een topambtenaar

In haar veelbesproken Schoo-lezing schetst Sigrid Kaag haar visie op leiderschap. Daarbij introduceert ze plotseling een ‘getuige’. Ze zei:

“De topambtenaar Bernard ter Haar stelde zichzelf onlangs publiekelijk de vraag of er de afgelopen twee decennia door de overheid nog iets groots tot stand is gebracht. Hoe graag hij ook ongelijk zou hebben, hij kon niets verzinnen”.

Nu is het op zich wat sneu. Ga je als topambtenaar bijna met pensioen, stel je vast dat de grote organisatie waar je voor hebt gewerkt niets bijzonders heeft gedaan. Was nou maar iets nuttigs gaan doen in de zorg, het onderwijs of de techniek…

Column van Aart van Bochove
13 september 2021

Klopt het ook?

Wij kijken als sociologen naar de wereld. En sociologen denken bij ‘iets groots’ niet aan bouwwerken of het landschap, maar aan ‘la condition humaine’: de staat van de bevolking. Maar dan liever niet de gevoelstemperatuur met enquêtes en dergelijke, maar iets feitelijks. Laten we eens kijken hoe die feiten zich de afgelopen twintig jaar ontwikkeld hebben.

Ontwikkeling in Nederland tussen 2000 en 2020 (tenzij anders aangegeven). Bron van alle cijfers is CBS Staline.

We gaan de parameters hier niet toelichten. Als er behoefte is om te horen waarom deze set van parameters veel zegt over ‘la condition humaine aux Pays-Bas’, dan doen we dat graag een andere keer. Maar dat er ‘iets groots’ is gebeurd, staat buiten kijf. Spectaculair zelfs. Een nieuwe Gouden Eeuw. Grote sprongen. En dat in een periode met halverwege de uiterst disruptieve kredietcrisis (waarbij – ere wie ere toekomt – juist de netgenoemde Bernard ter Haar een belangrijke rol speelde als succesvol crisismanager).

Heeft onze topambtenaar nu alsnog reden om zijn einde-loopbaan-wanhoop te herzien?

Dat hangt er vanaf. Er zijn heel veel landen die dit soort mooie scores laten zien, ook ontwikkelingslanden. Wie het nog eens wil nakijken, moet zeker het mooie boek ‘Feitenkennis’ ter hand nemen, van Hans Rösling. Rösling laat met een beperkt aantal, maar overtuigende cijfers zien welke reusachtige vooruitgang de mensheid in een halve eeuw heeft geboekt op het gebied van gezondheid, onderwijs en welvaart.

Maar was die vooruitgang een gevolg van de acties van overheden en regeringen?

Bij Rösling gaan de credits naar het onderwijs, de zorg, de scholen en universiteiten. De verpleger en de onderwijzer hebben ‘iets groots’ verricht.

En toch kan de topambtenaar blijmoedig terugkijken. De Nederlandse overheid heeft in die twintig jaren ten minste twee dingen goed gedaan. Het eerste is het zorgen voor voldoende belastingopbrengsten om de systemen voor zorg, onderwijs en veiligheid te financieren. En daarbij ook zorgen voor voldoende rust om de systemen hun werk te laten doen. Bijvoorbeeld door het populistisch vandalisme buiten de deuren van deze instituties te houden.

Het tweede is dat de overheid de boel niet verpest heeft. Je kunt instituties ook kapot maken. Dat gebeurde in de Verenigde Staten, één van de weinige landen waar parameters als levensverwachting en inkomen zich negatief ontwikkelen. Het gebeurt ‘as we write’ in landen als Rusland, Afghanistan en Brazilië.

Daarmee komen we aan de kern van de discussie. Kun je als regering ook ‘iets groots’ doen door iets juist niet te doen? Of in elk geval je ambities te matigen?

Een huisarts doet het om de haverklap: een goed gesprek voeren met een patiënt. En daarna even niets. Bij het volgende contact is het probleem veranderd, verschoven, hanteerbaar geworden, of juist gepreciseerd. Als de huisarts de Tweede Kamer na zou doen, zou hij bij elke klacht een doos pillen in de patiënt gooien. En twee weken later nog één. En nog één. En nog één. Dat is gebeurd met de decentralisatie van het sociaal domein. Met de belastingdienst. Met al die niet werkende wetten voor de arbeidsmarkt. Met de ontmanteling van de investeringskracht van de corporaties. Met de jeugdzorg. Met de bijstandsvoorwaarden. Elke kamermotie als een nieuwe doos pillen. En nooit die broodnodige ‘liefdevolle verwaarlozing’: een goed en analytisch gesprek en vervolgens even niets.

Wat heeft dat te maken met je staatsvisie?

André Donner was in de tweede helft van de vorige eeuw een vooraanstaand rechter en rechtsgeleerde (en vader van de latere minister en vice-president van de Raad van State). Ooit had een politicus uitgesproken dat de overheid naar gerechtigheid moest streven. Waarop Donner uitriep: ‘Een overheid die naar gerechtigheid streeft, dat is waanzin’.

Hij bedoelde dit: er leven in de bevolking heel verschillende visies en visioenen, van gerechtigheid en gelijkheid naar ‘sociaal’, emancipatie en vrijheid. Dat zijn allemaal visies uit het ongerijmde, uit de metafysica. ‘Gerechtigheid’ komt zelfs rechtstreeks uit de Bijbel. Het is niet de taak van de overheid om één of meer van die visies over te nemen. Dat zou op z’n slechtst een theocratie of zelfs een dictatuur kunnen worden. De overheid moet zich beperken tot het goed organiseren van de onderhandelingen en de samenwerking tussen al die groepen met hun metafysische doelen. Zorgen dat alle groepen binnen boord blijven, zorgen dat de instituties hun werk kunnen doen. Dat goed doen, is al een reusachtige taak.

Donner was een steile calvinist. En stiekem een zeer activistische: als rechter in het nog jonge Europese Hof van Justitie was hij een pionier van de Europese rechtsmacht, die nu zo bepalend is voor de praktijk van de rechten van de mens, het klimaatbeleid en zo ongeveer de hele actuele politieke agenda.

Maar de liberaal Rutte had zijn leerling kunnen zijn. Ruttes mantra tijdens de coronapersconferenties was ‘dingen doen die bij Nederland passen’, ‘met elkaar optrekken’, ‘elkaar een beetje bijstaan’. Hij wilde niet de rol van opperbevelhebber die Johnson in Londen en Macron in Parijs kozen. Hij vond het genoeg een vriendelijke surveillant op het schoolplein te zijn. Dat is een uitgesproken staatsvisie. Raar dat hij zelf steeds zegt geen visie te hebben.

Intussen zoekt Kaag naar ‘iets groots’. En ze benut daarbij de Bijbelse taal die Donner zo goed kende en kon relativeren:

“Leiderschap is voor mij dan ook het tegenovergestelde van regelen en ritselen zonder visie. ‘Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk’, staat geschreven in de Spreuken.”

Wat moet je nou vinden van die Haagse discussie over wel of niet een visie? Laten we er nog eens een voorbeeld bij halen.

Mount Rushmore met links George Washington en helemaal aan de rechterkant Abraham Lincoln. In het midden Thomas Jefferson en Theodore Roosevelt (een aangetrouwde oom van de latere, veel bekendere, Franklin D. Roosevelt. De laatste had er niet misstaan, maar de constructie van het beeldhouwwerk ving al in 1927 aan,  voor zijn ambtstermijn (1933-1945).

Amerikanen zijn gek op lijstjes met hun presidenten. Biden is nummer 46. Ze zijn ook gek op het ‘ranken’ van hun presidenten op kwaliteit. En dan duikt al decennialang steeds dezelfde top-3 op: George Washington, de vader des vaderlands; Abraham Lincoln, afschaffer van de slavernij en president tijdens de burgeroorlog; en Franklin D. Roosevelt, president tijdens de Grote Depressie en de Tweede Wereldoorlog.

Roosevelt is het beste bekend. De man stond stijf van de visie, elke redevoering was ermee doorspekt. Een man naar het hart van Kaag. Al valt op dat als je zijn verhalen met de ogen van nu terugleest, het ook vaak om een goed uitgelegde bestuursfilosofie gaat. Gewoon een modern bestuurder.

Met Lincoln is een probleem. Hij schafte inderdaad de slavernij af, in stappen, met de Emancipatie Proclamatie van 1 januari 1863 als draaipunt. Het historisch blad Smithsonian dook recent eens goed in de archieven. En toen bleek dat Lincoln maar nauwelijks op een mening of visie op de slavernij te betrappen viel. Althans niet voor 1 januari 1863. Later in dat jaar hield hij zijn Gettysburg Address, een korte toespraak die hem alsnog naar de rangen van de grote visionairen katapulteerde. Maar ook daarin geen woord over de slavernij. Lincoln was vooral een tacticus, een razend knappe onderhandelaar, een man van de nu weer zo gesmade achterkamertjes. Zelf heel goed weten wat je wilt, maar dat wijselijk voor je houden. Ritselen en theedrinken tot er een uitkomst is. Rutte zou het prachtig vinden.

En beide ‘prototypes’ over besturen met of zonder expliciet uitgedragen visie staan nu ferm in de top-3… Het kan verkeren.

Nu terug naar die gouden jaren 2000-2020. Als het dan zo goed gaat met ‘la condition humaine’, waarom zijn tallozen dan zo ontevreden? Waarom al die stemmen naar de ‘flankpartijen’?

We halen er een socioloog bij. Een hele vroege socioloog: de Fransman De Tocqueville, uit het midden van de 19de eeuw. Hij hoorde de jonge Karl Marx betogen dat de mensen vanzelf in opstand komen, als de ellende en de afbraak maar groot genoeg zijn. Hij ging dat checken bij de ‘moeder aller opstanden’: de Franse revolutie. Als het klopte wat Marx zei, zou Frankrijk er in de jaren voorafgaand aan 1789 beroerd voor hebben gestaan. Maar dat klopte niet. Er waren aan de vooravond van de revolutie zeker problemen, bijvoorbeeld door misoogsten. Maar structureel was het land rijker dan ooit. De ‘derde stand’- de opgeleide burgerij – was in opkomst. De bureaucratie functioneerde redelijk, er was relatieve veiligheid, vrijheid en rechtsbescherming. En toch de opstand…

De Tocqueville constateerde dat niet ellende, maar ‘stijgende verwachtingen’ de vonk van de opstand vormden. Het gaat al goed, maar je wilt meer. En sneller. Voor jezelf, voor je kinderen. En zo niet, dan word je boos.

Het zou enorm helpen wanneer politici hun ‘oertypes’ herkennen, inclusief de beperkingen en inclusief de historische patronen. Zo’n beetje hoe de bij Blaauwberg vaker aangehaalde ‘founding father’ van de sociologie, Max Weber, dat deed. Over diens kijk op het politieke bedrijf schreef Pieter Tijmes ooit een mooi boek met de titel: ‘Over politiek valt met rede te twisten’.

Dat is zelfs in dit tijdperk van tweets en scheldpartijen nog steeds waar.

Meer artikelen

Analyse: hoe veerkrachtig is uw regio?

We hebben in eerdere nieuwsberichten stil gestaan bij de crisisimpact per regio. Ditmaal kijken we naar de toekomst. In hoeverre zijn regio's in staat om na tegenspoed zich te herpakken? Hoe groot is het regionale herstelvermogen? We presenteren een regionale veerkrachtindex om de verschillen tussen regio’s in kaart te brengen.

Gebruik NOW hoogste in Randstad en zuiden

Het gebruik van de belangrijke steunmaatregel NOW is het hoogste in de Randstad en het zuiden van het land. In het noorden van het land is het beroep op de NOW opvallend lager.  We komen tot deze conclusies aan de hand van een eigen cijferanalyse waarbij we UWV data koppelen aan de CBS statistiek.

Ondernemersfondsen in crisistijd

Ondernemersfondsen op woz-basis hebben zich bewezen als stabiele basis voor de gezamenlijke belangen van ondernemers. Maar daarmee is het in deze crisistijd geen ‘business as usual’. De fondsen moeten nu laten zien dat ze er zijn en dat ze kunnen bijdragen aan perspectief voor de lokale ondernemers.

Het mkb: twee jaar crisisdynamiek voor de boeg

De initiële reactie van de overheid op de crisis in de economie is sterk ingegeven door: stabiliseren met behulp van generiek beleid. Met de overgang van de hamerfase naar de dansfase gaat het beleid veranderen. Van stabiliseren naar selecteren, van generiek naar specifiek.

Neem contact op

Neem contact met ons op via bijgaande contactgegevens. Wij komen spoedig met een reactie.