Het coalitieakkoord van Rutte IV door de bril van de kennissteden

We hebben nog nooit een kabinet gehad waarvan je de agenda zo duidelijk aan de namen van de ministersposten kon aflezen: stikstof, mijnbouw, fiscaliteit, klimaat. Duidelijk. Maar het zijn wel probleemthema’s. Lezers van onze nieuwsbrieven weten hoeveel aandacht we besteden aan onze nationale broodwinning: de kenniseconomie. Voor het land als geheel stellig een bonus van jewelste.

De kansen zijn wel ongelijk verdeeld. Het gaat om een selecte groep hoogopgeleide steden die veel dynamiek naar zich toe weet te halen. Ze werken als een magneet op jonge mensen, kenniswerkers, kapitaal en bedrijvigheid. De steden bloeien, bruisen en groeien. In de urban studies wordt wel gesproken over de ‘nieuwe Hanze’. Net als de oude Hanzesteden kijken de kennissteden meer naar elkaar dan naar hun eigen regio. Ze lijken op elkaar, hebben dezelfde soort opgaven en wisselen onderling kennis en talent uit.

Vanuit de ontwikkeling van de kennissteden als nieuwe Hanze kijken we naar het nieuwe coalitieakkoord van Rutte IV. Waar raakt de nationale agenda die van de steden?

Laten we een gedachte-experiment uitvoeren. Stel je een gesprek voor over het coalitieakkoord tussen een delegatie van de kennissteden en het kabinet. Wat zou de inzet van dat gesprek zijn bezien vanuit de steden?

Overleg … met wie?

We stuiten al voor we aan de inhoud toekomen op een probleem. Een gesprek dus … maar met wie?

Het nieuwe kabinet telt twintig ministers en veertien staatssecretarissen. Met in veel gevallen een duidelijke portefeuilleverdeling. De universiteiten melden zich bij het Ministerie van OCW. De boerenorganisaties gaan naar het Ministerie van Landbouw. En de ondernemersvertegenwoordigers leggen eerst een bezoek af aan Economische Zaken.  Voor de kennissteden is het ingewikkelder. Er bestaat niet zoiets als een portefeuille ‘kenniseconomie’ of ‘kennissteden’. De voor de steden relevante domeinen zijn verspreid over de ministeries van economische zaken, onderwijs, infrastructuur (snel ov!), binnenlandse zaken (woningbouw, financiën, digitalisering), buitenlandse zaken (internationale samenwerking), justitie (immigratiebeleid), sociale zaken (brede armoedebestrijding).

Laten we voor het gemak aannemen dat het kabinet veel waarde hecht aan het gesprek met de kennissteden. Gezien de grote belangen besluit ze om alle relevante ministeries bij het gesprek te betrekken. Waar moet het vervolgens over gaan? We beperken ons in dit geval tot twee grote thema’s: de onderwijsagenda en internationalisering.

Groepsfoto van het kabinet Rutte IV met alle ministers en staatssecretarissen vlak na de beëdiging in Paleis Noordeinde.

Een krachtige onderwijsagenda

Met stip op één: een krachtige onderwijsagenda. Onderwijs is onlosmakelijk verbonden met de kennissteden. De steden floreren bij de aanwezigheid van hoger onderwijsinstellingen en de blijvende entrée van jonge talentvolle mensen. Het aantrekken, binden en boeien van nieuw talent is niet alleen een verantwoordelijkheid van de instellingen zelf. Het vraagt een vorm van mede-investeren vanuit de omgeving, de overheid en het brede maatschappelijke middenveld. Het gaat bovendien om beweging te krijgen in de hele onderwijskolom. Van pre-school en basisonderwijs tot mbo, hbo en universiteit.

Wat maken we op uit het coalitieakkoord?

Eerst twee algemene punten.

  1. Kansengelijkheid is het leidende motief in de hele onderwijsagenda. Het onderwijs wordt met recht een sleutelpositie toegedicht in de aanpak van ongelijke kansen. Het kabinet wil meer kinderen de kans geven het volle pond uit hun school- en studietijd te halen. Dat is niet alleen een mooie ambitie in het licht van persoonlijk welzijn. Voor de kennissteden betekent het ook een verdere vergroting van de talentenbasis voor de toekomst.
  2. De ambitie mag zelfs nog een stuk explicieter. Nederland profileert zich als kenniseconomie maar het opleidingsniveau blijft daar wat bij achter. 40% van de beroepsbevolking heeft een hoger onderwijsdiploma (hbo, wo). Internationaal zijn we daarmee slechts een middenmoter. Canada, Israël, Zuid-Korea, Japan en vele andere landen zitten op beduidend hogere percentages. Nederland heeft zich via het Lissabon akkoord ooit geschaard achter de ambitie dat het hoger onderwijs goed is voor ten minste 50% van de totale uitstroom. De kennissteden mogen het kabinet aan die ambitie herinneren.

Dan één specifiek punt.

De grote doorbraak zit in de onderste kolom van het onderwijsgebouw. Het kabinet werkt toe naar (bijna) gratis kinderopvang en neemt afscheid van de kinderopvangtoeslag. Het investeert massaal in voor- en vroegschoolse educatie, ontwikkelprogramma’s die sterk gericht zijn op taal- en spelontwikkeling. Goed nieuws voor het hele land, maar in het bijzonder voor de kennissteden met hun internationale en meertalige populatie. De aanwezigheid van een goede ‘pre-school’ is een belangrijke vestigingsvoorwaarde voor veel expats. En het Nederlandse systeem geldt in het internationale discours als duur, ingewikkeld en een tikje smal in haar taakopvatting. Bovendien is er sterk wetenschappelijk bewijs voor de inzet van taal- en spelprogramma’s om leerachterstanden op latere leeftijd te voorkomen. Nu investeren in talige, contextrijke voorscholen is een investering in de kenniseconomie van later.

De kennissteden zouden nog twee suggesties aan het kabinet kunnen meegeven.

  • Verzilver de nieuwe koers in de naamstelling. ‘Pre-school’ (of voorschool) doet meer recht aan het belangrijke werk dat in de sector wordt gedaan en brengt het in lijn met de rest van de onderwijskolom.
  • Werk toe naar een pre-school als basisvoorziening, waar zowel werkende als niet-werkende ouders gebruik van kunnen maken. Vestig de moraal van actief gebruik van de pre-school onder alle ouders. Zoals ook bijna ieder kind al op zijn 4e naar de basisschool gaat, terwijl de leerplicht bij 5 jaar begint.

Internationalisering

Tweede belangrijke agendapunt voor de kennissteden is internationalisering. Nederland is een internationaliserend land. Als we dat getalsmatig willen uitdrukken kom je al snel op definitiekwesties. Maar een algemeen richtcijfer is dat ruim een kwart van de bevolking een migratieachtergrond heeft. In de kennissteden schommelt dat tussen de dertig en vijftig procent. In Amsterdam is het zelfs ruim meer dan de helft. Het gaat om een mix van veel verschillende soorten groepen. Een toenemend aantal kunnen we definiëren als expat of kenniswerker.

Voor de kennissteden is de permanente entrée van dit buitenlandse talent van groot belang. Het is – weer – een vergroting van de talentenpool. Bovendien beschikken veel van de internationals over bijzondere competenties, kennis en netwerken die in Nederland schaars of afwezig zijn. De kennisclusters in de steden staan in contact met de hele wereld, en er wordt onderling veel talent uitgewisseld. Overigens zijn de vele arbeidsmigranten op eenzelfde manier van cruciaal belang. Zij houden het land draaiende door werk uit te voeren waar geen Hollandse arbeidskrachten meer voor beschikbaar zijn.

Het gesprek met het kabinet zal op dit thema een stuk stroever verlopen. Wie een verband zoekt tussen internationalisering en welvaartschepping in het coalitieakkoord zal worden teleurgesteld. Immigratie wordt gezien als een verschijnsel dat ‘onder controle’ moet worden gebracht. Dat betekent veel tekst over asiel, beperken van ongewenste immigratie, opvang en terugkeer en integratie.

De inzet richting het nieuwe kabinet zou als volgt kunnen zijn:

  • neem nadrukkelijker het economische belang van internationalisering mee
  • zorg voor een toegankelijk immigratiesysteem zonder ‘red tape’ en bureaucratie
  • verlaag de drempels voor internationale kenniswerkers.

Kennissteden verenigt u

De kennissteden moeten op veel borden tegelijk schaken. Ze moeten niet alleen met elkaar en hun internationale partners aan de slag, maar ook met de versnippering van kenniseconomische thema’s in het coalitieakkoord. Dat nodigt de kennissteden uit om de samenhang in het gesprek met het landsbestuur zelf te gaan bepalen. Dat hoeft niet vanuit een problematiserende positie, zoals in het niet al te verre verleden met het Grotestedenbeleid het geval was. Het gaat goed met de kennissteden van het slag Utrecht, Amsterdam, Leiden, Groningen, Eindhoven en Nijmegen. Hun voorsprong in de kenniseconomie geeft ze ook een verantwoordelijkheid om buiten de deelbelangen van sectoren om bij Rutte IV een uitnodigende agenda voor de kenniseconomie op te stellen.

Meer artikelen

Opinie: een Nederlandse ‘Treuhand’ voor de stikstofwende?

De stikstofcrisis houdt het land in zijn greep. Het dossier lijkt muurvast te zitten. En dat terwijl het gaat om uiteindelijk slechts een deelbelang van de economie. Kunnen we iets leren van de Duitsers die de Oost-Duitse economie in vier jaar tijd klaar heeft gestoomd voor de westerse markteconomie?

Neem contact op

Neem contact met ons op via bijgaande contactgegevens. Wij komen spoedig met een reactie.