Inspiratie

Blaauwberg streeft in z’n beleidsonderzoek, beleidsadvies en
beleidsondersteuning een zo groot mogelijke gebruikswaarde voor de opdrachtgever na: de opdrachtgever krijgt als het even kan een inhoudelijk verhaal, informatief en argumentatief, voorzien van veel context, met begrip voor de politiek-bestuurlijke omgeving, genuanceerd maar duidelijk genoeg om er een koers aan te kunnen ontlenen. Het genereren van gebruikswaarde en het scheppen van een handelingsperspectief voor de opdrachtgever is het doel van het werk.
 

Het beleidsadvies heeft geen wetenschappelijke pretenties in de academische zin van het woord. Dat wil niet zeggen dat beleidsadvisering alleen maar praktisch van aard is. Werkstijl, omgang met informatie, methodische keuzes en beroepsintegriteit zijn mede bepaald door een wetenschappelijke inspiratie.
 

Blaauwberg haalt die wetenschappelijke inspiratie uit de traditie die in de klassieke sociologie begonnen is met Max Weber (1864-1920). Enkele van diens methodische uitgangspunten:

  • De werkelijkheid is ‘onttoverd’. Er ligt achter de werkelijkheid geen objectieve zin die voor iedereen geldt. Het aantal structuren dat in de sociale werkelijkheid onderscheiden kan worden, is in beginsel oneindig. Het is onmogelijk een afbeelding te maken van de werkelijkheid. Een ‘ware’ theorie bestaat niet. Modellen en mathematische beschrijvingen zijn interpretaties, die behulpzaam kunnen zijn om houvast te vinden in die sociale werkelijkheid. Dat houvast is nodig, niet om een plek te vinden in de objectieve werkelijkheid (die bestaat immers niet), maar om je te kunnen verhouden tot anderen.
     
  • Kennis over de sociale werkelijkheid is een constructie. Die constructie begint bij een construerend subject. Door inzet van gedeelde begrippen en methodische regels kan een constructie intersubjectief worden: het kan zich gaan lenen voor vergelijking en onderling gesprek. Maar objectief – in de zin van refererend aan een zelfstandig bestaande zin achter de werkelijkheid – wordt een constructie nooit.
     
  • Een mooi voorbeeld van een constructie is een ‘ideaaltype’. Een ideaaltype is een formulering van een sociaal fenomeen met een aantal hoofdkenmerken die voor intersubjectief gesprek hanteerbaar en plausibel zijn. Beroemde voorbeelden van ideaaltypen zijn het charismatisch leiderschap, het traditionele, het rationele en het bureaucratische leiderschap. Een even beroemd voorbeeld is de protestante werkethiek. Weber legt een verband tussen die werkethiek en de opkomst van het kapitalisme in Europa. Dat verband kan nooit ‘bewezen’ worden in de mathematische zin van het woord. En ook nooit definitief ontkracht. Het kan behulpzaam zijn, perspectief bieden, nuances aandragen.
     
  • Plausibiliteit en causaliteit zijn belangrijke eisen aan een sociaal-wetenschappelijke constructie. Plausibiliteit in de zin dat de constructie gedeeld en begrepen kan worden, tegenspraak oproept, onderzoek en reflectie uitlokt, feiten en cijfers schept. Plausibiliteit betekent dat je er mee kunt werken, acties kunt beramen. Causaliteit in de zin dat er over oorzaken en samenhangen gesproken kan worden. Kennis moet relationeel zijn: het moet fungeren in een patroon van actoren.
     
  • Zodra een beschrijving of model verzelfstandigd wordt tot een achter de werkelijkheid liggende zin, begint de werkelijkheid weer betoverd te raken. Het is de taak van de socioloog om mythen te jagen en de onttovering steeds opnieuw in gang te zetten. Zo bezien zijn sociologen de ‘natuurlijke vijanden’ van de CPB-prognoses en andere ‘afbeeldingen van de werkelijkheid’. Prognoses en modellen met voor politici niet te volgen constructies en calculaties, zijn in Weberiaanse zin mythen en belemmeren zelfstandige interpretaties van politici als handelend subject.
     

Een tweede inspiratiebron komt ook uit de (laatklassieke) sociologie: de Wiener Kreis. Anders dan Weber, gingen deze mensen er wel van uit dat er ergens een ‘rotsbodem’ ligt van harde sociale feiten, die ook zonder het interpreterend subject bestaan. In die zin keken ze naar de natuurwetenschap: ooit zal de sociale werkelijkheid kenbaar en meetbaar zijn, al is de weg lang.
 

Echt spannend wordt het pas omdat de Wiener Kreis de cijfer- en feitenbehandeling plaatst in de context van democratie, transparantie en emancipatie. Feiten moeten spreken, in een samenhang worden aangeboden en bruikbaar zijn in het democratisch en publiek discours. Zomaar feiten de lucht in schieten, is geen onderzoek. Feiten moeten gemodelleerd worden tot ze beleidsactoren om hun eigen koers te bepalen. En in die vroege jaren waren de beleidsactoren waar de Wiener Kreis het over had, vaak arbeiders. De adembenemende loopbaan van de ook in Nederland bekend geworden Otto Neurath (1882-1945) en zijn inzet voor het onderwijs, de sociale huisvesting en de algemene toegankelijkheid van expert-kennis is nog steeds een voorbeeld van hoe een sociaal analyticus in het leven kan staan.
 

Praktische uitgangspunten in het werk van Blaauwberg waarin deze uitgangspunten zichtbaar worden zijn:
 

  • Liever geen ‘foto’ of momentopname van een beleidsproces. Voorrang voor een historische benadering: hoe zijn de stad, de regio, het sociale vraagstuk, het beleidsprobleem geworden tot wat ze zijn? Wat waren de keuzes waar de voorgangers van de huidige beleidsmakers voor hebben gestaan? Hoe hebben ze het toen opgelost?
  • Terughoudend gebruik van cijfers en van meettechnieken. Cijfers waar geen plausibele duiding voor is, terzijde leggen. Cijfers uitsluitend in een context presenteren, verbanden tonen.
  • Liever twintig interviews met ‘movers and shakers’ dan een schriftelijke enquête onder 500 respondenten
  • Oppassen met stellige uitspraken over resultaten van beleid. Elke makelaar weet: de waarde van een huis wordt niet bepaald door de inspanning van de bouwer. Het is omgeving – omgeving – omgeving. Wat voor een huis geldt, geldt te meer voor een sociaal feit: de beleidsmaker beïnvloedt en voegt toe, maar doorslaggevend is context – context – context. Hulde voor beleidsmakers die het gewenste resultaat formuleren in termen van dynamiek en mensen in beweging krijgen, en niet in termen van ‘kijk mijn beleid toch eens effectief zijn’.
  • Er is geen werkelijkheid die zich laat afbeelden compleet met een knoppenbord. Suggereer dan ook niet meer bestuurbaarheid van markt en samenleving dan historisch gezien plausibel is. Ontneem beleidmakers de mythe van het knoppenbord en spreek hun interpreterend vermogen als handelend subject aan. De beleidswerkelijkheid is geen anonieme machine waarvan je de besturing moet kennen, maar een dynamisch verhaal waarnaar je met historische kennis, integriteit en bescheidenheid moet kijken.
  • Beeld niet af, maar construeer. Probeer daartoe feitenbehandeling, inspiratie en activering met elkaar te verbinden. Maak gebruik van interregionale, internationale en historische vergelijkingen en van metaforen. Probeer de context van beleidsmakers te verrijken, plaats hun handelen in een lange termijn perspectief.
  • Voorkeur voor academische economen met een meervoudig perspectief: geschiedenis, politieke context, cijfermatige analyse, procesinzicht, enzovoort. Michael Porter (1947), de econoom van de concurrentieverhouding tussen regio’s, landen en sectoren, is daar een voorbeeld van.


Terug naar het overzicht

 
 

Meer Blaauwberg?

Meld u nu aan voor de (gratis) Blaauwberg nieuwsbrief. U ontvangt driemaal per jaar een afwisselend aanbod aan thematische diepgang, analyse en good-practice. Enkele onderwerpen; regionale economische structuurversterking, werken met het clustermodel, de Lissabon doelstelling en uw regio, bestuurlijke samenwerking in de praktijk, ondernemerschap als drager van het voorzieningenniveau en economische dynamiek als sleutelbegrip voor bestrijding jeugdwerkloosheid.