Openbare ruimte en migranten: rust of dynamiek?

Enige tijd geleden hoorde ik iemand vertellen over het verschil in stemming tussen Nederland en Vlaanderen. Wat bepaalt nu dat in Nederland zoveel publiek chagrijn heerst terwijl de Vlaming zo op het oog welgemoed z’n gang gaat?

 

We kunnen er over twisten of deze vraagstelling wel klopt. Hoe bepaal je eigenlijk het humeur van een volk? Maar mocht de vraag wel kloppen, dan had mijn gesprekspartner wel een interessante verklaring. In België is de ‘druk van het collectief’ een stuk minder. Minder regels, minder toezicht, meer privéruimte. Wie een opstal in zijn tuin wil bouwen, die doet dat. Wie een bedrijf aan huis wil beginnen, gaat z’n gang. Er is meer individuele handelingsruimte en meer privacy. De Belg heeft minder te verwijten aan het collectief, als er iets mis gaat moet hij het eerst bij zichzelf zoeken in plaats van de politiek de schuld te geven.

 

Ik moet aan deze stelling denken bij lezing van het boek ‘Trek naar de stad’ van de Canadese journalist Doug Saunders. Saunders beschrijft in dat boek de manier waarop gemeenschappen van nieuwkomers – immigranten – zich ontwikkelen aan de hand van 30 voorbeelden uit de hele wereld, waaronder Amsterdam. De centrale stelling van Saunders is dat het overgrote deel van de migranten een sterke motivatie meeneemt voor opwaartse sociale mobiliteit. Die motivatie heeft ruimte nodig om tot bloei te komen. Regelarme zones, sociale ruimte voor eigen organisatie-ontwikkeling, ruimte voor ondernemerschap en ook fysieke ruimte om zelf te kunnen proberen, testen, zoeken. Hoe meer regels het ontvangende land oplegt, hoe meer de motivatie tot opwaartse mobiliteit van de migranten beknot wordt. Saunders noemt Amsterdam Nieuw West en Zuidoost als twee voorbeelden van een verkeerde ruimtelijke ordening: die wijken waren ontworpen volgens de strenge esthetiek van het functionalisme, met een rigide scheiding tussen wonen, werken, recreëren en bewegen. Het tekentafelproduct was gelijk het eindbeeld. Dat krijg je wanneer je een architect (Le Corbusier en zijn navolgers) niet alleen een gebouw maar ook een hele stad laat ontwerpen: je krijgt gestolde esthetiek in plaats van ontwikkelruimte, waar de gebruikers eigen accenten kunnen toevoegen. Iemand die iets wil ondernemen, heeft in dat soort wijken niets te zoeken. Saunders verklaart de moeizame stand van zaken van de migrantengemeenschappen – Mediterraan in Nieuw West en Caribisch-Afrikaans-Aziatisch in Zuidoost – vanuit die rigide ruimtelijke ordening. Uiteindelijk waren er twee verliezers: niet alleen de migranten die nauwelijks ontwikkelruimte kregen, maar ook de architecten. Hun totaalontwerpen waren niet bestand tegen de druk van de gebruikers en gaan nu massaal tegen de vlakte.

 

Overigens stelt Saunders de mensen die bang zijn voor al te veel ontwikkelruimte voor nieuwkomers met kracht gerust: uiteindelijk willen al die migranten opgaan in de grote middenklasse van het ontvangende land. Het verschil van inzicht gaat niet over het doel, maar over de weg erheen.

 

Ik trof een prachtige metafoor van ‘hoe het ook kan’ aan in Guguletu, een grote ‘township’ buiten Kaapstad, in Zuid-Afrika. De townships zijn de in de tijd van de apartheid ontworpen als eenzijdige woonsteden met minimale voorzieningen. De zwarte inwoners werden immers geacht in die township alleen maar te wonen. Werken deden ze in de blanke economie in de centrale stad, waar de townships als satellieten omheen werden gestrooid. En culturele en educatieve voorzieningenlaat staan ruimte voor eigen ondernemerschap, werden niet nodig geacht. Zo bezien was het busstation het belangrijkste trefpunt van Guguletu: de zwarte werkers verzamelden er zich, om over de weg naar hun blanke werkplekken te gaan.

 

Toen de apartheid verdween, was de vraag wat er met de townships moet gebeuren. Moesten ze gaan functioneren als verre buitenwijken van de centrale stad met vooral een woonfunctie? In dat geval zou vooral het tussengebied tussen centrum en satelliet aangepakt moeten worden, om de metropool uiteindelijk als een samenhangend geheel te laten functioneren. Maar dat is niet de keus geweest. De keus is geweest om de townships zelf zich tot volwaardige stad te laten ontwikkelen, inclusief een lokale economie. Nu begint een lokale economie altijd met handel en wel met informele handel (op straat, markten). Daarna komen de formele handel, de dienstverlening, de industrie en de cultuur. Informele handel concentreert zich op plekken waar passanten zijn, waar mensen bij elkaar komen, bijvoorbeeld in een busstation. Om een lang verhaal kort te maken: de bussen in Guguletu halteren tegenwoordig in de aanloopstraten naar het station. De markt heeft zich onder de grote overkapping genesteld. Het is een mooi voorbeeld van hoe het gebruik, en niet het ontwerp het functioneren van een plek bepaalt.

 

Nu woon ik zelf ook ergens. In Leiden, om precies te zijn. Voor mij ligt de ‘kadernota kwaliteit openbare ruimte’. Die gaat over de inrichting van de openbare ruimte in die stad tot 2025. Ik citeer uit de samenvatting:

 

“Om de kwaliteit van de openbareruimte te verbeteren is het belangrijk dat er meer rust ensamenhang in de inrichting komt. Dit is een ambitie die alleen op delange termijn te bereiken is. Het vereist een duurzame inrichting van openbare ruimte en het consequente gebruik van een beperkte selectie van hoogwaardige, gestandaardiseerde materialen. Bovendien moeten alle ingrepen in de openbare ruimte worden getoetst of ze aan de vastgestelde uitgangspunten voldoen”.

 

De nota werkt dit statement uit: uniformering, standaardisering, beperking van de mogelijkheid voor burgers en ondernemers om zelf accenten te zetten. Nu gaat het om een beperkt ding: straatmeubilair, betegeling, kleurgebruik en dergelijke. Maar duidelijk is dat in de Leidse openbare ruimte Le Corbusier weer aan de macht komt. Is dat goed of slecht?

 

Nu is Leiden geen Amsterdam Zuid Oost, maar even goed een migrantenstad. Slechts een minderheid van de bevolking is er geboren en ook zal een minderheid er tot z’n dood blijven. De bevolking bestaat in grote meerderheid uit migranten uit binnen- en buitenland. Uit passanten zelfs, want na verloop van tijd trekken ze verder. Al die mensen krijgen geen mogelijkheid om zich hun stad toe te eigenen en hun stempel te drukken op de openbare ruimte: alles ligt al vast. Het wordt vast heel rustig in Leiden.

 

Terug naar België. In België is de druk van het collectief kleiner. Mensen mogen hun gang gaan. Het gevolg is een voor Nederlanders ondoorgrondelijke ruimtelijke inrichting. Maar zou er werkelijk geen tussenweg zijn tussen de Belgische dynamiek en de Nederlandse fixatie?

 

Aart van Bochove
Directeur beleidsadviesbureau Blaauwberg


Terug naar het overzicht

 
 

Meer Blaauwberg?

Meld u nu aan voor de (gratis) Blaauwberg nieuwsbrief. U ontvangt driemaal per jaar een afwisselend aanbod aan thematische diepgang, analyse en good-practice. Enkele onderwerpen; regionale economische structuurversterking, werken met het clustermodel, de Lissabon doelstelling en uw regio, bestuurlijke samenwerking in de praktijk, ondernemerschap als drager van het voorzieningenniveau en economische dynamiek als sleutelbegrip voor bestrijding jeugdwerkloosheid.